Optimalisatiemethoden voor rechtshandige recurve bogen
Het gepriegel met kleine schroefjes en imbus-schroefjes wordt een hoofdzaak in plaats van een goede, vergevingsgezinde afstelling. Alhoewel een afstelling persoonlijk is, is het raadzaam de richtlijnen uit de handleiding zo nauwkeurig mogelijk op te volgen.
Alle voorbeelden in dit artikel zijn van toepassing op een rechtshandige boog.
Doorheen het document staan groene "Moderne aanvulling" blokken. Dit zijn aanvullingen en alternatieve methoden op basis van huidige inzichten uit de internationale bogenschuttersgemeenschap β aanvullend op het originele artikel van Van den Berg Jeths. Ze zijn bedoeld als opties, niet als vervanging van de bestaande methoden.
De startinstelling verdeelt zich in een aantal stappen. Volg de volgorde nauwkeurig.
Plak op de bovenste werparm 8β10 cm boven het middenstuk een stukje plakband en markeer het midden met een viltstift. Doe hetzelfde met de onderste werparm.
Ga achter de boog staan en breng de pees en de twee viltstiftpunten in één lijn. Is dit niet mogelijk, dan zitten de latten scheef of is het middenstuk getordeerd. Bij verstelbare limb pockets kunnen de latten eenvoudig gecentreerd worden. Een hulpmiddel zijn de zgn. Beiter limb line gauges.
Draai de button zover naar buiten dat de pijl van achteren gezien ΒΎ tot 1 pijldikte naar buiten wijst. De pees moet hierbij precies over het midden van de werparmen lopen.
Door het explosieve lossen en de massatraagheid van de pijlpunt buigt de schacht en komt in trilling. Het doel van tuning is de knooppunten (knopen) op de schacht gedurende de volledige vlucht in een rechte lijn met het doel te krijgen.
Monteer de pijlsteun zodanig dat de pijl tegen het midden van de button rust. Breng inkt of lippenstift op de pijl aan om te controleren of dit klopt.
Zorg dat de button stevig is vastgedraaid. Een losse button of een loszittend teflon-drukpunt geeft veel spreiding.
De pijlsteun moet een paar graden omhoog wijzen, zodat de pijl als het ware tegen de button aanvalt. Een naar beneden wijzende steun (b) laat de pijl glijden tijdens de klikker. Een horizontale (a) geeft instabiele ligging.
De pijlsteun mag niet buiten de pijl uitsteken β dit beΓ―nvloedt de vlucht in het horizontale vlak. Een te slappe pijlsteun geeft verticale spreiding door verschillen in vingerspanning, vooral bij lichte carbon pijlen.
Zorg dat de veren de pijlsteun of button niet raken. Breng lippenstift op de veren aan om dit te controleren. Indien lippenstift achterblijft op steun of button: nok iets verdraaien of kleinere veren gebruiken.
De klikker maakt het best een hoek van 90Β° met de pijl. Zo worden verschillen in vingerspanning minder snel afgestraft. De klikker mag niet zo stijf zijn dat de button wordt ingedrukt.
Doordat de grip niet samenvalt met het middelpunt van de boog moet er een verschil zijn in afstand tussen de pees en de beide werparmen. Dit verschil heet de tiller.
De meeste boogproducenten bevelen een tillerverschil van β tot ΒΌ inch aan. De tiller heeft invloed op de stabiliteit van het middenstuk tijdens de pijllancering, het drukpunt van de hand in de greep en de dynamiek β en daarmee ook op de nokpunthoogte.
De peeshoogte is de afstand van de pees tot het diepste punt in het handvat (het pivotpoint). De peeshoogte bepaalt voor een belangrijk deel het rendement van de boog en het moment waarop de pijl de pees verlaat.
Een indicatie voor een onjuiste peeshoogte is een scherp hoog geluid na het lossen. Een goede peeshoogte geeft een mooi harmonisch geluid en een aanmerkelijk betere groepering.
| Booglengte (inch) | Peeshoogte (cm) |
|---|---|
| 64" | 19,5 β 21,0 |
| 66" | 20,5 β 21,5 |
| 67" | 21,5 β 22,5 |
| 68" | 22,0 β 23,0 |
| 69" | 22,5 β 23,5 |
| 70" | 23,0 β 24,0 |
Optie A β Geluidsmethode: Stel de tabelwaarde in als startpunt. Schiet daarna een serie pijlen en luister naar het losgeluid. Verhoog of verlaag de peeshoogte stapsgewijs per ΒΌ inch totdat het geluid het rustigst en schoonst klinkt β dat punt is de optimale peeshoogte voor jouw boog/schutter-combinatie. Geen meetinstrument nodig.
Optie B β 50-meter-methode: Stel de peeshoogte op de laagste fabriekswaarde. Schiet 6 pijlen op 50m en markeer de inslagen. Verhoog daarna met ΒΌ inch en herhaal. Blijf verhogen totdat de inslagen niet meer stijgen β het midden van dat plateau is de ideale peeshoogte.
Slagen in de pees: Pas de peeshoogte primair aan via het aantal slagen in de pees, niet door een andere pees te kiezen. Ideaal: circa 20 slagen. De vuistregel is booglengte in inches gedeeld door 3 (bv. 69" β 23 slagen). Zit je ver buiten dat bereik, kies dan een andere peeslengte.
Bepaal de treklengte en het werkelijke trekgewicht van de boog. Met deze gegevens kan via de Easton pijlkeuzetabel een pijl worden geselecteerd. Controleer of het front of center (FOC) overeenkomt met de richtlijnen voor die pijl.
De Easton-tabel is een goed startpunt, maar in de praktijk kan de pijl toch te stijf of te slap zijn. Dit komt door het verschil tussen statische en dynamische doorbuiging.
De statische doorbuiging (spine) wordt bepaald door een gewicht van 879,9 gram aan de schacht te hangen, ondersteund op twee steuntjes op 1 inch van de pijluiteinden. De dynamische doorbuiging wordt bepaald door de wijze van lossen, peesmassa, stabilisatie, nokspanning, pijlpuntmassa, veertjes en de mate van buitenwijzing.
Controleer eerst of de pijl een vrije passage langs het middenstuk heeft. Een hard 'slaand' geluid tijdens lancering wijst op contact met het boogvenster. Controleer dit met lippenstift op de veren, of bestrooi het middenstuk ter hoogte van de pijloplegger met talkpoeder.
Neem als startnokpunthoogte Β±1 cm. Schiet op 20 meter afstand 3 gevederde pijlen, daarna minimaal 2 kale pijlen.
Als de nokpunthoogte goed is, kan de buttonspanning worden afgesteld met kale pijlen:
Herhaal op 10, 20, 30 en 40 meter totdat de kale pijl perfect groepeert.
Maximale afstand bij kale pijl tuning: 30 meter. Voorbij 30m treedt een secundaire vluchtreactie op die misleidend is en tot verkeerde aanpassingen kan leiden. Gebruik 18m en 30m als standaard testafstanden. Heb je een kortere ruimte, gebruik dan 15m en 25m β dit is voldoende voor een betrouwbare basisafstelling.
Alternatief: trekgewicht in plaats van buttonspanning variΓ«ren. Een alternatieve benadering (o.a. aanbevolen door Archery Australia) is de buttonspanning op een vaste middelste stand te laten staan en spine-correcties door te voeren via het trekgewicht (limb bolts). Dit geeft voor veel schutters betrouwbaardere resultaten omdat de centershot-positie stabiel blijft. Pas na de kale pijl test de buttonspanning fijn aan voor de groepering.
Deze methode gebruikt gevederde pijlen (geen kale). Stel het vizier in op 5 meter. Schiet op twee gestapelde doelpakken: eerste pijl op 5m, tweede op 10m, derde op 15m, enz. β zonder de vizierstand te veranderen.
Micro-tuning op wedstrijdafstand (70m). Na de walk-back is er een optionele verfijnstap die olympische schutters toepassen. Stel het vizier in op 70m. Schiet 3β5 groepen bij de huidige buttonspanning en meet de groepsgrootte (bijv. met een koord om de pijlen). Verhoog of verlaag daarna de buttonspanning met één kleine stap en herhaal. Documenteer elke instelling nauwkeurig, bij voorkeur over meerdere dagen. De instelling met de kleinste gemiddelde groepsgrootte is de optimale buttonspanning op wedstrijdafstand. Dit vereist geduld en consistente techniek, maar levert de fijnste eindafstelling op.
De papiertest is een eenvoudige methode die sterk lijkt op de kale pijl methode. Ze wordt veel gebruikt voor compound bogen maar is ook geschikt voor recurve. De nokpunthoogte en de dynamische spine kunnen hiermee snel gecontroleerd worden.
De papiertest is handig om snel te zien of er iets duidelijk fout zit, maar gebruik hem niet als eindafstelling. Recurve pijlen bewegen na het lossen sterk heen en weer, waardoor het scheurpatroon ook afhangt van hoe ver je van het papier staat. Gebruik de kale pijl methode voor de definitieve fijnafstelling.
Span een krant of dun papier (60Γ60 cm) in een schilderijlijst. Hang het midden op schouderhoogte. Plaats 1,5m achter het papier een doelpak. Sta op 1,5β2m van het papier en schiet een gevederde pijl door het midden. Houd de boogarm evenwijdig aan de vloer. Analyseer de scheur.
Bestudering van grootte en vorm van de groepering geeft veel informatie over de kwaliteit van de afstelling.
Een clearanceprobleem geeft op korte afstand een relatief slechte groepering vergeleken met langere afstanden. Laat je niet op het verkeerde been zetten.
Als de groepering op 90m slecht is maar op kortere afstanden goed, wordt de pijl in het laatste deel van de vlucht te veel afgeremd. De wind krijgt dan een te grote invloed. Oorzaken:
De huidige optimalisatiemethoden berusten op het "one factor at a time"-principe. Dit kost veel tijd en het overzicht gaat snel verloren. In R&D-omgevingen wordt gebruik gemaakt van experimental designs (Taguchi-methode): een uitgebalanceerde matrix waarmee meerdere factoren tegelijk gevarieerd kunnen worden.
Zo is het mogelijk om 11 factoren op twee niveaus te testen in slechts 12 experimenten. De theoretisch optimale combinatie (de "paperchampion") wordt daarna in de praktijk getest in een confirmatierun.